Vaak gestelde vragen

22 resultaten gevonden

Pagina's

Hoe moet de subsidieaanvraag voor een IGS-project lokaal woonbeleid aan Wonen-Vlaanderen bezorgd worden?

De initiatiefnemer dient zijn subsidieaanvraag met een aangetekende brief of met een afgifte tegen ontvangstbewijs in bij het agentschap. Dat gebeurt op het adres: Wonen-Vlaanderen, Afdeling woonbeleid, Herman Teirlinckgebouw, Havenlaan 88 Bus 40D, 1000 Brussel (cfr artikel 14 van het BVR van 8 juli 2016).

Een digitale kopie van de subsidieaanvraag wordt door de initiatiefnemer via e-mail aan het agentschap bezorgd op het e-mailadres lokalebesturen.woonbeleid@vlaanderen.be. .

Hoe vaak moet er overlegd worden voor de uitvoering en opvolging van een IGS-project lokaal woonbeleid?

Gemeentelijk: in elk van de deelnemende gemeenten van het project wordt minstens tweemaal per volledig werkingsjaar een lokaal woonoverleg georganiseerd. In een onvolledig werkingsjaar wordt minstens één lokaal woonoverleg georganiseerd (cfr. artikel 9 van het BVR van 8 juli 2016).

Intergemeentelijk: minstens twee keer per volledig werkingsjaar komt de stuurgroep samen. In een onvolledig werkingsjaar komt de stuurgroep minstens één keer samen (cfr. artikel 18 van het BVR van 8 juli 2016).

Hoe wordt de subsidie voor een IGS-project lokaal woonbeleid berekend?

De subsidieberekening is bepaald in artikel 11 van het BVR van 8 juli 2016. De subsidie bestaat uit een subsidiebedrag voor de verplichte activiteiten, verhoogd met een subsidiebedrag voor de aanvullende activiteiten.

De subsidie wordt berekend op basis van een puntensysteem, waarbij 1 punt overeenstemt met 10.000 euro per volledig werkingsjaar. Voor een onvolledig werkingsjaar wordt de subsidie berekend a rato van het aantal maanden voor dat werkingsjaar.

Het subsidiebedrag voor de verplichte activiteiten wordt per project berekend aan de hand van een aantal parameters voor het IGS-werkingsgebied:

  • Aantal gemeenten in het werkingsgebied
  • Aantal private huishoudens binnen het werkingsgebied (toeslag)
  • Aantal gemeenten zonder IGS-verleden (toeslag)
  • Aantal gemeenten met minder dan 5.000 private huishoudens (toeslag)

De subsidie voor de verplichte activiteiten wordt geplafonneerd op 12 punten per volledig werkingsjaar. Zie artikel 11 van het BVR van 8 juli 2016.

Het subsidiebedrag voor de aanvullende activiteiten wordt berekend als een percentage van het subsidiebedrag voor de verplichte activiteiten, op basis van een weging per doelstelling zoals opgenomen in de lijst van aanvullende activiteiten (zie bijlage bij het BVR van 8 juli 2016).

Doelstelling 1: Zorgen voor een divers en betaalbaar aanbod

Vanaf 5 aanvullende activiteiten: 10 %
Vanaf 10 aanvullende activiteiten: 20 %

Doelstelling 2: Werken aan de kwaliteit van het woningpatrimonium en de woonomgevingVanaf 6 aanvullende activiteiten: 20 %
Vanaf 12 aanvullende activiteiten: 40 %
Doelstelling 3: Informeren, adviseren en begeleiden van inwoners met woonvragenVanaf 5 aanvullende activiteiten: 10 %
Vanaf 10 aanvullende activiteiten: 20 %
Doelstelling 4: Ondersteunen van de private huurmarktVanaf 5 aanvullende activiteiten: 10 %
Vanaf 10 aanvullende activiteiten: 20 %
Buiten categorie: vernieuwende of experimentele activiteiten, of activiteiten die inspelen op nieuwe regelgevingActiviteit 1: 10 %
Activiteit 2: 10 %

De subsidie voor de aanvullende activiteiten wordt geplafonneerd op 100 % van de subsidie voor de verplichte activiteiten. Zie artikel 11 en bijlage bij het BVR van 8 juli 2016.

Hoe zal Wonen-Vlaanderen voor IGS-projecten het bedrag van een subsidievermindering berekenen als bij de beoordeling van een werkingsjaar zou blijken dat aanvullende activiteiten niet of onvoldoende uitgevoerd worden zoals vooropgesteld in de subsidieaanvraag ?

Wonen-Vlaanderen zal het subsidiebedrag voor die aanvullende activiteiten pro rato verrekenen en in mindering brengen van het subsidiebedrag voor het volgende werkingsjaar en, wanneer dat nodig is, terugvorderen. De wijze waarop subsidiebedragen voor aanvullende activiteiten die in het afgelopen werkingsjaar in onvoldoende mate uitgevoerd werden verrekend worden, is analoog met de werkwijze voor de correctie van de subsidiepercentages van aanvullende activiteiten die niet in elke gemeente van het werkingsgebied uitgevoerd worden, zoals beschreven in de nota aan de Vlaamse regering (VR 2016 0807 DOC.0775/1) bij het besluit van de Vlaamse regering van 8 juli 2016.

Voor aanvullende activiteiten onder doelstellingen 1, 3 en 4:
• Als het gecumuleerde aantal aanvullende activiteiten voor het werkingsgebied 5, 6, 7, 8 of 9  bedraagt, dan bedraagt het gewicht per activiteit 1/5, 1/6, 1/7, 1,8, 1/9 van 10 %. Voor de subsidievermindering wordt dat gewicht vermenigvuldigd met het aandeel van de gemeente(n) dat de activiteit niet behoorlijk heeft uitgevoerd. Tenzij in elke gemeente minstens 5 activiteiten behoorlijk uitgevoerd worden: in dat geval wordt het subsidiepercentage van 10% vastgeklikt en wordt de subsidievermindering niet toegepast.
• Als het gecumuleerde aantal aanvullende activiteiten voor het werkingsgebied 10 of meer bedraagt, dan bedraagt het gewicht per activiteit 1/10, 1/11, 1/12, enz van 20 %. Voor de subsidievermindering wordt dat gewicht vermenigvuldigd met het aandeel van de gemeente(n) dat de activiteit niet behoorlijk heeft uitgevoerd. Tenzij in elke gemeente minstens 10 activiteiten behoorlijk uitgevoerd worden: in dat geval wordt het subsidiepercentage van 20% vastgeklikt en wordt de subsidievermindering niet toegepast.

Voor aanvullende activiteiten onder doelstelling 2:
• Als het gecumuleerde aantal aanvullende activiteiten voor het werkingsgebied 6, 7, 8, 9, 10 of 11 bedraagt, dan bedraagt het gewicht per activiteit 1/6, 1/7, 1/8, 1/9, 1/10, 1/11 van 20 %. Voor de subsidievermindering wordt dat gewicht vermenigvuldigd met het aandeel van de gemeente(n) dat de activiteit niet behoorlijk heeft uitgevoerd. Tenzij in elke gemeente minstens 6 activiteiten behoorlijk uitgevoerd worden: in dat geval wordt het subsidiepercentage van 20% vastgeklikt en wordt de subsidievermindering niet toegepast.
• Als het gecumuleerde aantal aanvullende activiteiten voor het werkingsgebied 12 of meer bedraagt, dan bedraagt het gewicht per activiteit 1/12, 1/13, 1/14, enz van 40 %. Voor de subsidievermindering wordt dat gewicht vermenigvuldigd met het aandeel van de gemeente(n) dat de activiteit niet behoorlijk heeft uitgevoerd. Tenzij in elke gemeente minstens 12 activiteiten behoorlijk uitgevoerd worden: in dat geval wordt het subsidiepercentage van 40% vastgeklikt en wordt de subsidievermindering niet toegepast.

 

Hoe, waar en wanneer organiseert de initiatiefnemer voor een IGS-project lokaal woonbeleid het verkennend overleg en de verslaggeving?

Voordat een subsidieaanvraag wordt ingediend, nodigt de initiatiefnemer het agentschap uit voor een verkennend overleg over het project, en meer in het bijzonder over de aanvullende activiteiten die het activiteitenpakket van het project zal bevatten. Als de gemeenten geen aanvullende activiteiten wensen uit te voeren, zullen op het verkennend overleg de verplichte activiteiten besproken worden. De initiatiefnemer kan de provincie mee uitnodigen voor het verkennend overleg, met het oog eventuele samenwerking of cofinanciering (cfr artikel 14 van het BVR van 8 juli 2016). 

Het verkennend overleg vindt bij voorkeur plaats ongeveer 2 à 3 maanden vóór indiening van de subsidieaanvraag, er rest dan nog voldoende tijd om het projectvoorstel indien nodig bij te sturen en het voor goedkeuring te agenderen op de gemeenteraden in de deelnemende gemeenten.

Het verkennend overleg vindt plaats tijdens de kantooruren in de lokalen van het Vlaams Administratief Centrum in de eigen provincie. Daartoe stuurt de initiatiefnemer een e-mail naar de begeleider lokaal woonbeleid van de provinciale buitendienst van Wonen-Vlaanderen met een voorstel van enkele datums waarop een maximale vertegenwoordiging van politieke mandatarissen (1 per deelnemende gemeente) mogelijk is. Bij voorkeur is op een verkennend overleg elke deelnemende gemeente vertegenwoordigd door een politiek mandataris. Wonen-Vlaanderen zal dan snel uitsluitsel geven over een datum.

Het is aangewezen dat de initiatiefnemer minstens 5 werkdagen voorafgaand aan het verkennend overleg via e-mail aan Wonen-Vlaanderen een ontwerp van het projectvoorstel bezorgt, zodat Wonen-Vlaanderen het projectvoorstel tijdig kan doornemen en reeds tijdens het verkennend overleg de nodige feedback kan geven over het projectvoorstel.

De initiatiefnemer maakt een verslag op van het overleg, en bezorgt het verslag binnen een termijn van drie weken aan het agentschap. Het agentschap kan opmerkingen formuleren bij het verslag. In voorkomend geval bezorgt het agentschap het verslag met de opmerkingen binnen een termijn van drie weken na de ontvangst aan de initiatiefnemer (cfr artikel 14 van het BVR van 8 juli 2016).

De initiatiefnemer bezorgt het verslag via e-mail aan het agentschap op het e-mailadres lokalebesturen.woonbeleid@vlaanderen.be.

Hoeveel aanvullende activiteiten stelt de initiatiefnemer van een IGS-project lokaal woonbeleid best voor in de subsidieaanvraag?

Wonen-Vlaanderen raadt aan om realistisch te zijn in de ambities en om het aantal en de selectie van de aanvullende activiteiten te bepalen volgens de behoeften en mogelijkheden van de gemeenten in het werkingsgebied. Niet elke aanvullende activiteit die opgelijst is in de bijlage bij het BVR van 8 juli 2016 is passend of relevant voor elke gemeente. Uiteraard is het aangewezen dat de gemeenten bij het bepalen van de omvang van het aanvullende activiteitenpakket rekening houden met de beschikbare personeelsinzet, opdat een kwalitatieve uitvoering van de activiteiten mogelijk zou zijn. De uitvoering van de activiteiten zal opgevolgd worden via de stuurgroep.  Cfr artikel 17 van het BVR van 8 juli 2016 kan subsidie teruggevorderd of ingehouden worden als uit de verslagen van de stuurgroepvergaderingen blijkt dat subsidie onterecht werd uitbetaald of moet worden verminderd, bijvoorbeeld in het geval dat activiteiten niet of ondermaats uitgevoerd werden.

Wonen-Vlaanderen zal er in het voortraject van de subsidieaanvraag over waken dat het aantal aanvullende activiteiten in de subsidieaanvraag niet kunstmatig opgedreven wordt door het opsplitsen van aanvullende activiteiten (zoals geformuleerd in de bijlage bij het BVR van 8 juli 2016) of door het opnemen van activiteiten die eigenlijk een herformulering zijn van een verplichte activiteit.

Mag de initiatiefnemer van een IGS-project lokaal woonbeleid zelfgeformuleerde aanvullende activiteiten voorstellen in een subsidieaanvraag?

De gemeenten kunnen aanvullende activiteiten selecteren uit de lijst van aanvullende activiteiten die als bijlage bij het BVR van 8 juli 2016 is gevoegd.

Bovendien mogen de gemeenten voor doelstelling 1 (zorgen voor een divers en betaalbaar woonaanbod), voor doelstelling 2 (werken aan de kwaliteit van het woningpatrimonium en de woonomgeving) en voor doelstelling 3 (informeren, adviseren en begeleiden van inwoners met woonvragen) maximaal 2 eigen voorstellen per doelstelling formuleren. Voor doelstelling 4 (ondersteunen van de private huurmarkt) kan de initiatiefnemer zelf zijn activiteitenpakket samenstellen: hetzij met aanvullende activiteiten uit doelstelling 1, 2 of 3 die gelinkt kunnen worden aan private huur, hetzij met een onbeperkt aantal eigen voorstellen.

Behalve de aanvullende activiteiten voor de vier doelstellingen is het mogelijk om nog één of twee aanvullende activiteiten ‘buiten categorie’ op te nemen.  Dergelijke activiteit is ofwel een vernieuwende of een experimentele activiteit, ofwel een activiteit die inspeelt op nieuwe regelgeving, die weliswaar aansluit bij de doelstellingen van het Vlaamse woonbeleid, vermeld in artikel 3 en 4 van de Vlaamse Wooncode. Om als dergelijke aanvullende activiteit aanvaard te kunnen worden, moet de activiteit daadwerkelijk ‘buiten categorie’ zijn: dat is niet het geval als de activiteit evengoed als een eigen voorstel van aanvullende activiteit onder doelstellingen 1, 2, 3 of 4 gebracht kan worden.

Omdat de aanvullende activiteiten afgestemd moeten zijn op de lokale huisvestingssituatie van de deelnemende gemeenten, is het niet noodzakelijk dat elke aanvullende activiteit voor/door elke gemeente uitgevoerd wordt.

Met welk aantal private huishoudens per gemeente moet de initiatiefnemer van een IGS-project lokaal woonbeleid rekening houden bij de raming van de Vlaamse subsidie voor zijn project?

Wonen-Vlaanderen gebruikt de cijfers die op de uiterste indieningsdatum voor de subsidieaanvraag gepubliceerd zijn op de website van de FOD Economie – Algemene Directie Statistiek. Momenteel zijn dat de cijfers van 1/1/2017. Die zijn ook online beschikbaar op de website van Wonen-Vlaanderen.

Moet elke gemeente die deelneemt aan een IGS-project lokaal woonbeleid, aangesloten zijn / aansluiten bij een sociaal verhuurkantoor?

Neen, die gemeenten worden niet verplicht om aan te sluiten bij een sociaal verhuurkantoor, m.a.w. er moet niet verplicht een SVK-werking zijn op het grondgebied van elke gemeente in het werkingsgebied.

Moet het werkingsgebied van een IGS-project lokaal woonbeleid aaneengesloten zijn?

Een opstartend (nieuw) IGS-project dat volledig uit niet-IGS-gemeenten (gemeente die niet deelneemt aan een IGS-project cfr. het BVR van 21/09/2007) zal bestaan hoeft geen aaneengesloten werkingsgebied te hebben. Ook bestaande IGS-projecten die hun werkingsgebied behouden of die hun werkingsgebied uitbreiden met niet-IGS-gemeenten, kunnen verdergezet worden zonder dat de voorwaarde van een aaneengesloten werkingsgebied van toepassing is.

De voorwaarde van een aaneengesloten werkingsgebied, zoals bepaald in artikel 24 van het BVR van 8 juli 2016, is enkel van toepassing als een IGS-gemeente (gemeente die deelneemt aan een IGS-project cfr. het BVR van 21/09/2007) wil toetreden tot een nieuw of ander (bestaand) project. Dan moet de toetreding van die gemeente ertoe leiden dat er een (groter) aaneengesloten werkingsgebied ontstaat. Bovendien moet die gemeente uit het ene project getreden zijn vooraleer het nieuwe of andere project (waarin het wil toetreden) van start gaat.

Een (groter) aaneengesloten werkingsgebied dient als volgt geïnterpreteerd:

  • als het werkingsgebied al aaneengesloten is, volstaat het dat de toetredende gemeente aan het werkingsgebied grenst, waardoor een groter aaneengesloten werkingsgebied ontstaat;
  • als het werkingsgebied nog niet aaneengesloten was, dan moet de toetreding van de bijkomende gemeente er toe leiden dat er een aaneengesloten werkingsgebied ontstaat.

Pagina's