Vaak gestelde vragen

19 resultaten gevonden

Pagina's

Prestatiebeoordeling: hoe werkt de techniek van de frequentieverdeling?

  • De frequentieverdeling vertrekt van een rangschikking van de waarde van een bepaalde indicator van alle SHM’s van laag naar hoog. Daarna wordt bepaald welke waarde precies in het midden ligt van alle waardes. Dat is de mediaan, en voor het goed begrip noemen we die hier de hoofdmediaan.
  • Van alle waardes die onder de hoofdmediaan liggen wordt opnieuw de mediaan berekend. Hetzelfde gebeurt voor alle waardes die boven de hoofdmediaan liggen. Op die manier worden alle waardes onderverdeeld in 4 groepen, die we kwartielen noemen, omdat elk kwartiel exact 25% van alle waardes vertegenwoordigt.
  • De techniek van de frequentieverdeling is nuttig bij het beoordelen van de prestaties waarvoor we geen absolute norm hebben. Zie daarvoor ook: Hoe gebeurt de beoordeling op basis van de frequentieverdeling?
  • Merk op dat er dus een verschil is tussen de mediaan en het gemiddelde van alle waardes. Het gemiddelde kan immers zeer sterk vertekend worden door extreme waardes. Een voorbeeld maakt veel duidelijk. Stel we hebben 5 kinderen in een groep met de volgende leeftijd: 4, 1, 2, 16 en 3. In een eerste stap gaan we die kinderen rangschikken op leeftijd van laag naar hoog: 1, 2, 3, 4 en 16. Het gemiddelde van deze waardes bedraagt 5,2, maar er is geen enkel kind van die leeftijd. De mediaan bedraagt 3 omdat er exact evenveel kinderen zijn met een lagere leeftijd, dan er kinderen zijn met een hogere leeftijd. Omdat er in de sociale huisvestingssector eveneens erg grote verschillen zijn tussen SHM’s (denk alleen al maar aan het aantal sociale huurwoningen per SHM), is het representatiever om met mediaanwaarden te werken dan met gemiddelden.

Uit welke onderdelen bestaat de prestatiebeoordeling?

De onderdelen van de prestatiebeoordeling zijn uitvoerig beschreven in het PDF icon Draaiboek Prestatiebeoordeling SHM's (vanaf 2017)

In de visitatie wordt gekeken naar 6 prestatievelden. Deze prestatievelden zijn rechtstreeks afgeleid uit de Vlaamse Wooncode:

  1. Beschikbaarheid van woningen
  2. Kwaliteit van woningen en woonomgeving
  3. Betaalbaarheid van wonen
  4. Sociaal beleid
  5. Interne werking en financiële leefbaarheid
  6. Klantgerichtheid

Voor de eerste drie prestatievelden zijn er strategische doelstellingen en operationele doelstellingen omschreven. Voor de overige prestatievelden zijn er alleen operationele doelstellingen voorzien:

  • De strategische doelstellingen komen rechtstreeks uit de Vlaamse Wooncode. De SHM’s worden mee ingeschakeld om deze doelstellingen te bereiken en kunnen dus een bijdrage leveren in de realisatie ervan. De realisatie van strategische doelstellingen is evenwel niet exclusief voorbehouden voor SHM’s, want ook andere (al dan niet woon-)actoren kunnen een bijdragen leveren. De mate waarin resultaten op de strategische doelstellingen worden bereikt, wordt gemeten a.d.h.v. effectindicatoren. Deze effectindicatoren brengen mee in beeld welke bijdrage de SHM’s (maar ook andere actoren) leveren tot het realiseren van de centrale doelstellingen van het woonbeleid. Bovendien verschaffen ze essentiële beleidsinformatie. De mate waarin effecten worden bereikt, zijn echter niet enkel het resultaat van de inspanningen van de SHM. Daarom worden de effectindicatoren niet mee in rekening gebracht bij de beoordeling van de prestaties van de SHM. De SHM wordt enkel beoordeeld op prestaties en niet op effecten.
  • De operationele doelstellingen maken concreet hoe de strategische doelstellingen kunnen worden gerealiseerd, en dit specifiek door de SHM. Doorgaans worden meerdere operationele doelstellingen afgeleid uit één strategische doelstelling. Ze zijn dus veel meer dan de strategische doelstellingen geformuleerd in termen van prestaties van de SHM’s (omdat de SHM er zelf de verantwoordelijkheid voor draagt), en voor het beoordelen van de prestaties van de SHM, wordt vertrokken van prestatie-indicatoren.

Wanneer kan een SHM het oordeel onvoldoende krijgen?

  • Die vraag is vooral belangrijk omdat de gevolgen van een oordeel 'onvoldoende' veel zwaarwichtiger kunnen zijn dan bij elk ander oordeel. Tegelijkertijd moet gezegd dat er geen automatische sanctie volgt uit een oordeel 'onvoldoende'. Maar het is zo dat een oordeel 'onvoldoende' betekent dat een SHM volgens de visitatiecommissie niet voldoende of niet de juiste inspanningen heeft geleverd om zelfstandig tot de nodige prestatieverbetering te komen. Als de SHM niet zelfstandig in staat is gebleken om tot de nodige verbetering te komen, kan men zich de vraag stellen in welke mate de overheid op dat moment moet ingrijpen. De ene situatie zal de andere niet zijn; het is dus de minister die steeds zal moet afwegen en ook motiveren waarom zij een bepaalde maatregel neemt. Zie ook "Gevolgen van het visitatierapport: beslissing minister"
  • In de eerste visitatieronde was het niet mogelijk dat een SHM een oordeel "onvoldoende" kreeg. Bij wijze van overgangsmaatregel zegt artikel 35, 5° van het Besluit van de Vlaamse Regering van 22 oktober 2010 tot vaststelling van de aanvullende voorwaarden en de procedure voor de erkenning als sociale huisvestingsmaatschappij en tot vaststelling van de procedure voor de beoordeling van de prestaties van sociale huisvestingsmaatschappijen (verder “Erkenningenbesluit” genoemd) dat een visitatiecommissie bij de allereerste prestatiebeoordeling van een SHM enkel een eindoordeel 'uitstekend', 'goed' of 'voor verbetering vatbaar' kan geven, dus nooit een onvoldoende. Vanaf 01/01/2017 is het eindoordeel 'uitstekend' wel vervangen door 'zeer goed', maar dat heeft niets met deze context te maken.  De reden waarom een oordeel 'onvoldoende' niet mogelijk was, vond je ook terug in de definitie van dat oordeel in het draaiboek prestatiebeoordeling:

"de prestaties van de SHM voldoen niet aan de vereisten. De SHM is op basis van een eerdere prestatiebeoordeling aangezet tot verbetering, maar die verbetering is niet gerealiseerd tijdens de vooropgestelde periode."

  • Dat betekent dat dit oordeel 'onvoldoende' vanaf de tweede visitatie wel mogelijk is. Voorwaarde is wel dat de SHM bij de vorige visitatie een oordeel "voor verbetering vatbaar" kreeg voor die doelstelling. Moeilijker wordt het wanneer de vereiste is gewijzigd tussen de eerste en de tweede  visitatieronde. Omdat de doelstelling van visitaties nog steeds vooral gericht is op prestatieverbetering, zou het niet logisch zijn dat een visitatiecommissie een oordeel 'onvoldoende' uitspreekt, wanneer de SHM er vroeger nog niet op gewezen werd dat haar prestaties niet aan de vereisten voldeden.  Als de vereiste wel al bestond in de eerste ronde, maar bijvoorbeeld onder een andere doelstelling viel die niet meer bestaat in de tweede ronde, moet de visitatiecommissie beide oordelen in rekening brengen en een afweging maken.

Wat is het draaiboek prestatiebeoordeling?

  • Het draaiboek prestatiebeoordeling bevat een gedetailleerde beschrijving van de werkwijze die de visitatiecommissie zal volgen om de prestaties van de sociale huisvestingsmaatschappijen te beoordelen. Het draaiboek bevat ook de concrete vereisten die aan elke operationele doelstelling worden verbonden om de prestaties als (mintens) 'Goed" te kunnen beoordelen. Het draaiboek is dus voor SHM’s en belanghebbenden een onmisbaar instrument om zich goed op de visitatie voor te bereiden.
  • Artikel 27 van het Besluit van de Vlaamse Regering van 22 oktober 2010 tot vaststelling van de aanvullende voorwaarden en de procedure voor de erkenning als sociale huisvestingsmaatschappij en tot vaststelling van de procedure voor de beoordeling van de prestaties van sociale huisvestingsmaatschappijen (verder “Erkenningenbesluit” genoemd) bepaalt dat de visitatie door de visitatiecommissie verloopt op basis van richtlijnen in het draaiboek voor de prestatiebeoordeling. De minister stelt dit draaiboek vast. Het draaiboek en elke wijziging ervan wordt steeds voorafgaandelijk meegedeeld aan de Vlaamse regering. Voor de regelgeving waarop dit draaiboek werd gebaseerd, verwijzen we naar de artikelen 9 tot en met 34 van het Erkenningenbesluit. Het draaiboek prestatiebeoordeling vormt een bijlage bij het Ministerieel besluit van 5 mei 2017 houdende vaststelling van het draaiboek voor de prestatiebeoordeling van sociale huisvestingsmaatschappijen.
  • Ook de samenstelling van de Visitatieraad en elke visitatiecommissie, en de manier waarop haar onafhankelijkheid wordt gegarandeerd, komt aan bod in het draaiboek. Een groot onderdeel vormt de beschrijving van de indicatoren, waarvan de visitatiecommissie bij haar beoordeling gebruik zal maken. Dit zijn cijfergegevens die beschikbaar zijn voor alle SHM’s op basis van een zo uniform mogelijke registratie. De indicatoren laten toe de SHM in zekere mate te positioneren binnen de sector. Tijdens de visitatie worden de prestaties en de positie van de SHM besproken en wordt gezocht naar verklaringen voor deze positie.
  • Hier kan u het PDF icon Draaiboek Prestatiebeoordeling SHM's (vanaf 2017) downloaden.

Wegen alle operationele doelstellingen even zwaar bij de beoordeling?

Het erkenningenbesluit noch het draaiboek prestatiebeoordeling maken een onderscheid in belangrijkheid tussen de verschillende operationele doelstellingen. Ze krijgen bijgevolg een gelijk gewicht bij de beoordeling.

Worden ook kopers van sociale koopwoningen of sociale leners betrokken bij de visitaties?

  • Op dit ogenblik is dit niet expliciet voorzien omwille van tal van – vooral praktische – redenen.
  • Voor kopers van sociale woningen heeft de VLEM in 2015 een klantentevredenheidsmeetinstrument ontwikkeld, maar omdat het aantal bevraagden en het aantal antwoorden vaak erg laag ligt, moet men voorzichtig zijn bij het interpreteren van de resultaten.
  • De selectie van kopers van sociale koopwoningen lijkt daarnaast nog moeilijker te zijn dan die van huurders. Daarom is er voorlopig voor gekozen om kopers niet expliciet te betrekken bij de visitatie. 

Wordt in de visitatie ook naar de tevredenheid van bewoners gekeken?

  • De visitatiecommissie beoordeelt ook prestaties die betrekking hebben op huurders. Zo wordt gekeken of de SHM de tevredenheid van haar huurders meet en of klanten ook daadwerkelijk tevreden zijn. Ook wordt beoordeeld of kandidaat-huurders snel en duidelijk geïnformeerd worden.
  • Tevredenheidsonderzoek is er op gericht de kwaliteit van een dienst of een product te meten vanuit het oogpunt van de klanten. In de sociale huisvesting kan men een onderscheid maken tussen tevredenheid over het sociaal wonen op zich (de woning, woonomgeving, …) en over de dienstverlening van de SHM.
  • Een goede tevredenheidsmeting opzetten vraagt deskundigheid. De overheid beseft dat indien SHM’s elk hun eigen meetinstrument ontwikkelen, daarvoor veel middelen en energie zal worden ingezet. Bovendien zijn de resultaten in dat geval niet vergelijkbaar tussen SHM’s. De Vlaamse overheid heeft daarom in 2016 een gratis, praktisch en gebruiksvriendelijk instrument ter beschikking gesteld voor alle SHM’s.
  • Sommige SHM’s hebben in de afgelopen jaren reeds een eigen meetinstrument voor klantentevredenheid ontwikkeld, en die kunnen hiermee uiteraard verder werken. Losstaand van de resultaten van de meting, kunnen de bestaande metingen, voor zover ze kwaliteitsvol zijn uitgevoerd, als een “good practice” beschouwd worden door de visitatiecommissie. Indien een SHM niet over eigen meetinstrument beschikt wordt door de visitatiecommissie gepeild naar wat de SHM wel deed om de tevredenheid te kennen.
  • Zie ook het antwoord op de vraag Moet ik voor het uitvoeren van tevredenheidsmetingen gebruik maken van het instrument dat Vlaanderen heeft ontwikkeld?

Wordt in de visitatie ook naar leefbaarheid gekeken?

  • De problematiek van de leefbaarheid in sociale woonwijken is complex en raakt aan zowat alle levensdomeinen en bevoegdheidsniveaus. Elke wijk en/of wooncomplex heeft zijn eigen specifieke leefbaarheidsproblematiek. Dit vraagt om de uitwerking van een oplossingsstrategie (waarin naast de SHM ook het lokale bestuur en alle andere relevante actoren dienen betrokken te zijn) op maat, die vertrekt van een probleemanalyse en daar de juiste maatregelen aan koppelt.
  • In de visitatie wordt daarom ook gekeken naar het sociaal beleid van de SHM. Zet de SHM zich in voor een zo goed mogelijke woonzekerheid? Voorkomt en pakt de SHM leefbaarheidsproblemen aan? Betrekt de SHM bewonersgroepen bij sociale huurprojecten en bij wijkbeheer? Biedt de SHM huisvestingsondersteuning aan bewoners?

Zullen ook de prestaties van de diensten van de Vlaamse overheid worden beoordeeld?

  • Het proces van visitaties wil via de prestatiebeoordeling de prestaties van de SHM’s verbeteren. Dit vanuit het besef dat dit enkel echt kan lukken als alle actoren hun bijdrage leveren aan de doelstellingen van het Vlaams woonbeleid. De visitaties zijn bedoeld om de prestaties van huisvestingsmaatschappijen te beoordelen, het is geen visitatie van de werking van de Vlaamse overheid.
  • In het visitatierapport is wel ruimte voor opmerkingen van de SHM over de werking van de Vlaamse overheid. In het rapport kan de Visitatieraad dus wel aanbevelingen aan de Vlaamse overheid opnemen. Deze aanbevelingen kunnen betrekking hebben op de verbetering van de prestaties van de Vlaamse overheid of het veranderen van regelgeving die SHM’s onnodig belemmeren in het bereiken van betere prestaties.

Pagina's