Toelichting bij de beoogde uitbreiding en aanpassing van de verzekering gewaarborgd wonen

1. Toelichting bij de beoogde uitbreidingen en aanpassingen van de verzekering gewaarborgd wonen

Momenteel worden de risico’s op inkomensverlies ingevolge werkloosheid en ziekte in hoofde van werknemers gedekt. Voor zelfstandigen dekt de verzekering gewaarborgd wonen enkel inkomensverlies ingevolge ziekte. De beoordeling of een aanvrager van de verzekering kan toegelaten worden gebeurt volledig door het agentschap Wonen-Vlaanderen. Voor elk van de goedgekeurde aanvragen wordt een eenmalige premie betaald voor de hele verzekeringsperiode van 10 jaar.  Van de verzekeraar waarmee de overheid een contract sluit wordt verwacht dat zij instaan voor de beoordeling van de aanvragen tot tegemoetkoming en de maandelijkse uitbetalingen. De huidige berekeningen van de premie en de bepaling van de tegemoetkomingen in functie van het aantal en soort ontleners binnen de verzekering vindt u terug in volgend document: PDF icon berekening_premie_en_bepaling_tegemoetkoming_.pdf.

De op dit ogenblik geldende voorwaarden waaraan een aanvrager moet voldoen worden toegelicht in de brochure die onder deze link is terug te vinden toelichtingsbrochure_vgw_2018. Het bestek dat de lopende verzekeringsopdracht regelt vindt u hier terug: bestek_2014. De tekst van het besluit van de Vlaamse Regering van 13 juni 2008 dat de voorwaarden en procedures vastlegt voor de op dit ogenblik geldende regeling vindt u hier terug: Besluit VR van 13 juni 2008 over VGW.


2. De uitbreiding van de doelgroep: het verzekeren van zelfstandigen tegen inkomensverlies door stopzetting van de zelfstandige activiteit

Deze marktconsultatie heeft tot doel na te gaan of het haalbaar is om de verzekering gewaarborgd wonen uit te breiden met een verzekering van het risico op inkomensverlies dat een zelfstandige lijdt ingevolge de gedwongen stopzetting van de activiteit.

Essentieel is dat de realisatie van het risico eenduidig kan worden vastgesteld op  basis van een attestering die zowel voor de verzekeraar als voor het Vlaams Gewest een vaststaand of zo weinig mogelijk betwistbaar gegeven is.

Vandaag wordt arbeidsongeschiktheid of werkloosheid door de verzekeraar afgeleid aan de hand van attesten van de ziekteverzekering of van de RVA. Deze attestering levert een door een derde partij vastgesteld bewijs van realisatie van het risico op dat niet weerlegbaar is. Om een verzekering gewaarborgd wonen voor zelfstandigen tot stand te brengen is iets gelijkaardig nodig.

De tussenkomst door de verzekeraar kan gekoppeld worden aan het overbruggingsrecht waarop een zelfstandige aanspraak kan maken. Een zelfstandige kan beroep doen op het overbruggingsrecht als hij failliet verklaard wordt of noodgedwongen de deuren moet sluiten. Het is een sociaal recht voor zelfstandigen waarop hij recht heeft via het sociale verzekeringsfonds.

Zelfstandigen kunnen onder bepaalde voorwaarden genieten van het overbruggingsrecht (Wet van 22 december 2016 houdende invoering van overbruggingsrecht ten gunste van zelfstandigen.

Dit overbruggingsrecht komt toe aan:

  • 1e pijler: Zelfstandigen (en zaakvoeders, bestuurders en werkende vennoten van een vennootschap) die failliet werden verklaard
  • 2e pijler: Zelfstandigen, helpers en meewerkende echtgenoten die hun zelfstandige activiteit hebben stopgezet en die hun schulden niet kunnen betalen door kennelijk onvermogen en voor wie een collectieve schuldenregeling geldt; (komt zelden of niet voor)
  • 3e pijler: Zelfstandigen die tijdelijk of definitief hun activiteit onmogelijk kunnen verder zetten omwille van een natuurramp, een brand, vernieling van de bedrijfsgebouwen of bedrijfsuitrusting, een allergie veroorzaakt door de uitoefening van zijn beroep
  • 4e pijler: Zelfstandigen die hun activiteit moeten stopzetten omwille van economische moeilijkheden (leefloon krijgen, vrijstelling van sociale bijdragen hebben gekregen in de voorbije 12 maanden van de Commissie voor vrijstellingen of tijdens het jaar van stopzetting en het voorgaande jaar een inkomen hebben dat lager is dan het minimuminkomen voor zelfstandigen in hoofdberoep (13.296,25 euro in 2017))

In 2016 waren er 465 aanvragen voor het Vlaamse Gewest waarvan er finaal 235 in 2016 werden goedgekeurd en er mogelijks nog 34 aanvragers worden goedgekeurd bij de RSVZ. 

Het overbruggingsrecht is een subsidiaire regeling. Dit wil zeggen dat de zelfstandige enkel een overbruggingsrecht kan genieten als hij voor geen enkele andere tegemoetkoming uit de sociale zekerheid in aanmerking kan komen. Het betreft hier dan vooral de werkloosheidsuitkering, voor zelfstandigen die nog als werknemer hebben gewerkt en de arbeidsongeschiktheidsuitkering. 

De aanvrager dient aan te tonen dat hij geen recht kan doen gelden op een vervangingsinkomen. Hij doet dit door een uitsluitingsbeslissing opgesteld door het werkloosheidsbureau over te maken aan de RSVZ. Als de aanvrager toch een recht kan doen gelden op werkloosheidsuitkering ten gevolge van vroegere tewerkstelling, zal de aanvrager geen overbruggingsrecht kunnen aanvragen. Het volstaat dat de aanvrager theoretisch toelaatbaar is voor een werkloosheidsvergoeding, om niet in aanmerking te komen voor het overbruggingsrecht.  Zo kan de werkloze die toelaatbaar is voor een werkloosheidsuitkering, maar niet vergoedbaar is ingevolge een sanctie of omdat hij arbeidsongeschikt is, geen overbruggingsrecht aanvragen. 

De overige voorwaarden waaraan men moet voldoen om overbruggingsrecht te bekomen zijn:

  1. De zelfstandige moet verzekeringsplichtig geweest zijn in het kader van het sociaal statuut van zelfstandigen in het kwartaal van de stopzetting van de zelfstandige activiteit en de drie hieraan voorafgaande kwartalen
  2. De zelfstandige is tijdens de periode vermeld in punt 1. de bijdragen verschuldigd als zelfstandige in hoofdberoep
  3. De zelfstandige heeft gedurende minstens vier kwartalen, tijdens het tijdvak van 16 kwartalen dat voorafgaat aan de eerste dag van het kwartaal dat volgt op het kwartaal van de stopzetting, effectief bijdragen betaald
  4. De zelfstandige oefent geen beroepsactiviteit meer uit en heeft geen recht op een rustpensioen of een vervangingsinkomen vanaf de eerste werkdag volgend op de dag van de stopzetting
  5. De zelfstandige heeft zijn hoofdverblijfplaats in België
  6. De zelfstandige is niet strafrechtelijk veroordeeld in het kader van het faillissement en heeft zijn onvermogen niet manifest georganiseerd bij collectieve schuldenregeling

Het overbruggingsrecht bedraagt al naargelang de gezinssituatie maandelijks:

  • zonder gezinslast: 1.220,86 euro
  • met gezinslast: 1.525,60 euro

De periode gedurende dewelke men overbruggingsrecht kan ontvangen is begrensd tot 12 maanden, behalve ingeval van stopzetting omwille van economische moeilijkheden. In dat geval is de vergoede periode afhankelijk van het aantal kwartalen waarvoor voor de zelfstandige over zijn volledige loopbaan pensioenrechten werden geopend:

  • < 8 kwartalen: geen overbruggingsrecht
  • ≥ 8 kwartalen en < 20 kwartalen: max 3 maanden overbruggingsrecht
  • ≥ 20 kwartalen en < 60 kwartalen: maximum 6 maanden overbruggingsrecht
  • ≥ 60 kwartalen: maximum 12 maanden overbruggingsrecht

Naast de uitbreiding tot zelfstandigen die kunnen genieten van het overbruggingsrecht, is het de bedoeling om zelfstandigen die rechten kunnen putten uit vroegere prestaties als werknemer voorafgaand aan de zelfstandige activiteit, als werknemer te verzekeren binnen de verzekering gewaarborgd wonen.

De zelfstandige die werknemer was in de periode voor hij zelfstandige werd, kan bij de stopzetting van zijn zelfstandige activiteit binnen een periode van 15 jaar na het beëindigen van zijn voorgaande tewerkstelling als werknemer, onder bepaalde voorwaarden, toch nog als werkloze genieten van een werkloosheidsuitkering. Als de aanvrager in zijn voorgaande functie van werknemer niet ontslagen is, maar zelf ontslag heeft genomen, dient hij wel te attesteren dat zijn voormalige werkgever niet bereid is hem opnieuw tewerk te stellen. De attestering zal in dit geval bij de RVA moeten opgevraagd worden.

De zelfstandigen, die hun activiteit zelf hebben stopgezet en vervolgens aanspraak maken op een werkloosheidsuitkering ingevolge hun vroeger opgebouwde rechten als werknemer, bepalen dus in zekere mate zelf dat het risico van stopzetting van hun zelfstandige activiteit zich voordoet. Daar de zelfstandige echter om recht te kunnen hebben op een werkloosheidsuitkering dient aan te tonen dat hij in zijn vorige functie ontslagen is of dat zijn voormalige werkgever niet bereid is hem terug in dienst te nemen bij zelf genomen ontslag, is het de bedoeling om de verzekering toch ook uit te breiden tot deze groep. 

In deze gevallen zal de verzekeraar bij de aanvang van het tienjarige verzekeringscontract ondanks het feit dat iemand als zelfstandige werd verzekerd toch tussenkomen volgens de voorwaarden die van toepassing zijn op werknemers. Voor die zelfstandigen is het niet mogelijk om bij de afsluiting van de verzekering vast te bepalen of  ze recht zullen hebben op een overbruggingsrecht, dan wel op een werkloosheidsuitkering.


2.2. Uitbreiding tot werknemers verbonden door een arbeidsovereenkomst voor uitzendarbeid

Het is tevens de bedoeling om de verzekering gewaarborgd wonen ook toe te kennen aan aanvragers die tewerkgesteld zijn op basis van een uitzendcontract.

Op dit ogenblik is in de regelgeving opgenomen dat de aanvrager een beroepsactiviteit moet uitoefenen als werknemer en dat hij minstens in een deeltijdse betrekking tewerkgesteld moet zijn met een contract van onbepaalde duur waarvan de proefperiode al voltooid is, ofwel in een tijdelijk contract voor zover hij niet tewerkgesteld is op basis van een uitzendcontract en kan bewijzen dat hij gedurende minstens een jaar arbeidsprestaties heeft verricht bij zijn laatste werkgever. De aanvrager dient voor de aanvraag twaalf volledige maanden arbeidsprestaties te hebben geleverd, met uitzondering van onderbrekingen ingevolge één of meer infectieziekten van beperkte duur of het wettelijk zwangerschapsverlof.

De voorliggende marktconsultatie heeft tot doel na te gaan of verzekeraars bereid kunnen worden gevonden om de verzekering gewaarborgd wonen uit te breiden naar werknemers die verbonden zijn door een arbeidsovereenkomst voor uitzendarbeid en gedurende het jaar voorafgaand aan de aanvraag twaalf volledige maanden arbeidsprestaties hebben geleverd.

Daarnaast is het de bedoeling om deze tewerkstellingsvoorwaarde algemeen, dus ook voor werknemers met een gewone arbeidsovereenkomst, te versoepelen. Vandaag worden enkel in duur beperkte onderbrekingen wegens ziekte toegelaten. Eén dag dat men niet verbonden is door een arbeidsovereenkomst heeft tot gevolg dat de verzekering niet kan worden toegekend. Deze voorwaarde is rigide. In de huidige regeling geldt ook als voorwaarde dat men minstens een jaar moet gewerkt hebben bij dezelfde werkgever, wanneer de aanvrager verbonden is door een contract van bepaalde duur. Bij arbeidsovereenkomsten van onbepaalde duur moet de aanvrager aantonen dat hij het hele jaar voorafgaand aan de aanvraag zonder onderbreking door een arbeidsovereenkomst verbonden was. Een aanvraag van een werknemer die zonder onderbreking in het kader van een arbeidsovereenkomst van onbepaalde duur bij twee werkgevers werd tewerkgesteld, komt in aanmerking. In de nieuwe regeling wordt voorzien dat zowel voor uitzendkrachten als voor werknemers verbonden door een gewone arbeidsovereenkomst onderbrekingen tussen twee arbeidsovereenkomsten toegelaten worden, in zoverre er over het hele jaar voorafgaand aan de aanvraag niet meer dan 20 werkdagen onderbrekingen worden vastgesteld. Deze versoepeling zal tot een verhoogd aantal verzekerden leiden aangezien de onderbrekingsmogelijkheid tot gevolg zal hebben dat aanvragers die nog geen jaar aan de slag zijn, beroep kunnen doen op de verzekering.

In dit kader werd een schrijven gericht aan Febelfin met de vraag naar cijfergegevens over het aantal leningen dat werd vertrekt aan uitzendkrachten en de uitgangspunten die worden gehanteerd bij het verstrekken van hypothecaire leningen aan kredietaanvragers die werkzaam zijn met een uitzendcontract. Hierover blijken geen gegevens bekend.

De vraag werd eveneens gesteld aan het Vlaams Woningfonds. Zij kunnen hier geen gegevens over verstrekken. De VMSW stelt dat er zeker in 5 op 100 leningen sprake is van uitzendkrachten. Voor 2016 komt dit op 100 à 150 leningen met één of meerdere uitzendkrachten. Preciezere gegevens zijn niet beschikbaar.


2.3 Premieberekeningsmethode

Vandaag wordt de premie voor een 10-jarige verzekeringsperiode bepaald als een percentage dat op de jaarlasten wordt berekend. De jaarlasten waarop het premiepercentage wordt berekend, bedragen 70% van het afbetalingsbedrag (12 mensualiteiten en premie schuldsaldoverzekering) met een maximum van 6.000 euro. In het tweede en derde jaar daalt evenwel de tegemoetkoming tot respectievelijk tot 56% en 42% van het afbetalingsbedrag met wel eenzelfde maximum van 6.000 euro. Het lijkt bijgevolg logisch dat de premieberekening ook rekening houdt met deze lagere jaarlasten in jaar 2 en 3.

Het toe te passen percentage wordt bepaald door de beroepsactiviteiten van de verzekerden. Het aantal verzekerden (1 of meerdere) heeft geen invloed. Er wordt een percentage bepaald voor 1 of meer zelfstandigen, 1 of meer werknemers of voor gemengde dossiers. Het is de bedoeling om in de toekomst wel een koppeling te leggen met het aantal verzekerden waardoor een gedifferentieerde premieberekening mogelijk wordt in functie van het aantal verzekerden en hun tewerkstellingsstatuut. Concreet komt het erop neer dat een percentage zal gevraagd worden voor de volgende onderscheiden dekkingen:

  • 1 werknemer
  • 1 zelfstandige
  • 2 werknemers
  • 2 zelfstandigen
  • 1 werknemer + 1 zelfstandige